De naam Jan Gehl rinkelt bij velen misschien (nog) geen belletje. Nochtans is hij een bekende in het smart city-milieu. De architect en urban planner hielp Kopenhagen – het Walhalla der smart cities – namelijk bij de transformatie naar een van ‘s werelds meest leefbare steden. 

Voorstanders van fietsstroken, gedeelde wegen en wandelvriendelijke steden kunnen best een voorbeeld nemen aan hun tegenstanders. Als ze buurten willen bouwen waar mensen, en niet koning auto, de stoep inneemt, toon dan de cijfers. Tel alle voetgangers, fietsers, wandelaars, lopers, cafébezoekers te voet, net zoals het aantal voertuigen op autowegen en snelwegen al jaren geteld wordt. Leg harde data op tafel, dat is het advies van Jan Gehl.

Gehl maakte van Kopenhagen een slimme en leefbare stad. En hoewel hij nu al 81 is, volgt hij de smart city-trends nog steeds op de voet. Zo zegt hij onder de indruk te zijn van Moskou, dat in de laatste vijf jaar sterk opgeknapt is. De stad werd proper gemaakt, de parking werd georganiseerd, en er werden bredere voet- en fietspaden en een stadsfietssysteem geïntroduceerd. Er werd gefocust op het leefbaarder maken van de stad voor voetgangers en fietsers, waardoor er heuse mirakels verricht werden op korte tijd.

Een andere stad die op bewondering van Gehl kan rekenen, is New York. De straten van de grootstad werden verbeterd ten voordele van de New Yorkers, door het plaatsen van fiets- en busstroken.

 

Kopenhagen als voorbeeld voor smart cities 

En ook Kopenhagen ligt de architect nog steeds nauw aan het hart. Gehl volgt de evolutie van de Scandinavische stad al 50 jaar en staat versteld van de veranderingen die het doormaakte. Zo haalt hij het voorbeeld aan van een fietstocht met zijn vrouw in het stadscentrum, ter gelegenheid van hun 45ste huwelijksverjaardag. Op de fietspaden konden ze rustig naast elkaar fietsen, iets wat hij nooit voor mogelijk had gehouden op zijn trouwdag 45 jaar eerder.

Volgens Gehl evolueerde de publieke ruimte in de Deense hoofdstad in fasen. In de eerste fase werd er plaats gecreëerd om te wandelen. Dit was de periode van de voetgangersstraat, of ‘Fußgängerstraße’, tussen 1960 en 1980. De jaren daarna, van 1980 tot 2000, volgde de tweede fase, die zich toespitste op het zitten en (ver)blijven. In die tijd werd de parking weggehaald van stadspleinen en verschenen er cafeetjes naast de stoep. De opkomst van de cappuccino cultuur, zoals Gehl het noemt. In deze fase kregen burgers ook meer vrije tijd, zodat ze niet van hot naar her moesten rennen, maar rustig konden kuieren en zitten op de terrasjes van de cafés.

Wat volgde was fase drie. Hierbij gaat het niet meer om wandelen of zitten, maar draait alles om het actief zijn. Er werd plaats voorzien om te rollerskaten, te rennen, te koersen of zelfs om in de haven te zwemmen. De daaropvolgende fase vier stond in het teken van de klimaatverandering. Steden, pleinen en parken werden opnieuw vormgegeven zodat ze maximale hoeveelheden water kunnen opvangen. Wijken worden als het ware een soort van spons, met veel beplanting, moerassen en zelfs meertjes. Dat is goed voor het klimaat en ook voor het dagdagelijkse leven, want de lucht wordt schoner en openbare plaatsen worden op die manier ook erg leuk ter ontspanning voor de burger of voor kinderen om te spelen.

Sinds 2009 mat Kopenhagen zich ook een nieuwe strategie aan, waarbij het de beste stad ter wereld wil zijn voor zijn burgers. Dat betekent concreet dat de hele stad zo georganiseerd moet worden zodat hij handiger en comfortabeler wordt voor de burger, en ook veilig voor de mensen om in te wandelen. Dit is fase vijf. In de wijken aan de stadsrand werden al bijna alle straten hierop aangepast. Wegen die bestonden uit vier rijvakken, hebben er nu twee voor wagens, een berm om het verkeer te scheiden, en bomen, fiets- en voetpaden.

Maar waarom werkt dit in Kopenhagen zo goed? Volgens Gehl is de reden niet ver te zoeken. De politieke wereld moet kunnen zien wat er gaande is. Een van de redenen waarom Kopenhagen zo ver kon evolueren met publieke ruimte en fietsers, is omdat de Universiteit van Kopenhagen reeds in 1960 begon te bestuderen hoe mensen gebruik maken van de stad. Ze verzamelden data, en gebruikten Kopenhagen als laboratorium voor experimenten op basis van deze data. Elke keer wanneer er iets veranderd werd, werd er ook onderzocht hoe de burgers hier op reageerden, en deze reacties werden gepubliceerd. Dat zorgde voor een rechtstreekse dialoog tussen de universiteit en de stad. De mensen, de inwoners, de stemmers: ze werden allemaal geïnformeerd via de kranten en televisie over de resultaten. En daarop zeiden ze: “Hé, dit werkt goed, we willen meer.” En dat trok uiteraard de aandacht van de politiek wereldwijd. 

 

Bron: citylab.com

The following two tabs change content below.

Valerie Bauvois

Community Manager @ Smart Cities Vlaanderen